Post gedichtendag 2012

Mijn dochter en ik

       
        Terwijl ik lees voel ik mijn dochter kijken;
        ik laat niets merken en lees rustig door.
        Haar leven doet zich helder aan mij voor:
        het zal in alles op het mijne lijken.

        Niets kan ik doen, opdat zij zal bereiken
        wat ik, amper gevonden, weer verloor;
        geen vindt van het geluk méér dan een spoor,
        ook zij niet, en ook zij zal het zien wijken.

        Ik sluit het boek. Wij zitten naast elkaar;
        geen woorden tussen ons; slechts, even maar,
        de glimlach van de een tegen de ander.

        ‘t Is of ik in mijn eigen ogen staar,
        en wat daar staat, het is als water klaar,
        wanneer ik langzaam in mijzelf verander.

 

        Ed. Hoornik (1910-1960)

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

Mijn moeder is mijn naam vergeten

 

Mijn moeder is mijn naam vergeten.
Mijn kind weet nog niet hoe ik heet.
Hoe moet ik mij geborgen weten?

Noem mij, bevestig mijn bestaan,
Laat mijn naam zijn als een keten.
Noem mij, noem mij, spreek mij aan,
o, noem mij bij mijn diepste naam.

Voor wie ik liefheb, wil ik heten.

 

geschreven door Neeltje Maria Min.

 

Klazien, je kent deze vast wel, maar ken je de gezongen versie ook? Hier de link  

 

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

Wurden

 

Fan alle wurden

tusken us sein

jilde amper ien en twa,

wurden dy’t ûnstjerlik

Binne by ’t moedwillichste

Forjitten.

 

Ast net hearre kinst

moast fiele,

Ien en twa wurden pinsiele

op de reachfine einen

fan de sinen

yn it holle fan dyn hân.

 

De dichter is onbekend

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Vertaald door Berthus Aafjes

 

Een Egyptisch gedicht

 

Hoe mooi is de plek waar ik wandel

hand in hand met jou.

Mijn hart springt op van vreugde

als wij samen wandelen.

Als een bedwelmende toverdrank

is het luisteren naar je stem.

Ik leef van naar je te luisteren,

je altijd en eeuwig te zien

is mij meer dan te eten en te drinken.

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

Weet je nog, schreef Dien, dat je dit gedicht een keer hebt voorgedragen en dat je toen vertelde het te willen gebruiken bij je belijdenis? Ik heb het al die tijd bewaard!

Het is erg, erg lang geleden maar ik weet het nog.

 

Hella Haasse

 

Naamloze God die ik belijd,

Nu Gij Uw teken in mij snijdt

duld ik de pijn van wat er sterft

onder uw mes, dat kerft en kerft.

 

Toen ‘k bloedig in dit leven brak

verloor ik steun en onderdak;

nu zwerf ik tussen moederschoot

en tweede moog’lijk rustpunt: dood.

 

Ik zwerf om U; elk ritueel

anders dan dit acht Gij te veel.

Ik pleng Uw bitterzoete wijn

van twijfel en van eenzaam zijn,

 

en vraag van U als enig loon

de scherpe prikkel van Uw hoon

Uw harde stenigende spot

Gij zijt weldadig wreed, mijn God,

 

eeuwig onvindbaar, als ge lacht

om al wie U gevonden dacht.

Zo ga ik rusteloos en stom

de lange wegen om en om

 

en zoek naar u in ieder ding

dat door Uw beeld de weerschijn ving.

Mij drijft dit branden in mijn bloed,

dat ik U altijd zoeken moet.

 

Ik richt tot U slechts één gebed:

dat Gij Uw mes nog scherper wet

dat Gij mij beitelt met dat mes

tot wijs en weerbaar priesteres.

 

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- 

Jonge moeder

 

‘Hoe vreemd dat mij gegeven is,
wat niet mijn eigen leven is,
maar sluimrend in het mijne hing,
en ging,
en brak de draad,
en wezen wou in eigen staat.’

‘Ik ben nog moe...
heb ik geleden?
of is mijn droom uit mij gegleden?...
Ik doe mijn ogen dicht
en ben tevreden,
en mijn gedachten en mijn lijf zijn licht.’

‘Is dit nu barensnood,
met hijgende gevaren
tot aan de dood?
Ik wist niet, dat een leven komen kon
zo rood en bloedend, als een ondergaande zon.’

‘Maar nu is dan
verrezen dit verblijen,
een heel zacht schreien,
een heel klein wezen,
dat aan mijn borst
zich voeden kan, en dorst...’

‘Een levend kindje werd mijn wens...
ik ben het niet, die nieuwgeboren mens,
en toch, ik wou, dat ik mijn kind mocht zijn
als later komen kommernis en pijn.’

 

Geschreven door Dop Bles: uit Parijse verzen.

------------------------------------------------------------------------

De tuinman en de dood

Een Perzisch Edelman:

Van morgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik,
Mijn woning in: "Heer, Heer, één ogenblik!

Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot,
Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.

Ik schrok, en haastte mij langs de andere kant,
Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand.

Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan,
Voor de avond nog bereik ik Ispahaan!" -

Van middag (lang reeds was hij heengespoed)
Heb ik in 't cederpark de Dood ontmoet.

"Waarom," zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt,
"Hebt gij van morgen vroeg mijn knecht gedreigd?"

Glimlachend antwoordt hij: "Geen dreiging was 't,
Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast,

Toen 'k 's morgens hier nog stil aan 't werk zag staan,
Die 'k 's avonds halen moest in Ispahaan."

 

Dit blijf ik een prachtig gedicht vinden, ik hoop jij ook. groeten Janny

________________________________________________________________________

 

Ha, wat las ik, zijn jullie echt 43 jaar getrouwd, hoop ik dat jullie het iets beter gedaan hebben. Ik vind dit gedicht verrukkelijk. Geschreven door Willem Elsschot

 Het huwelijk
Toen hij bespeurde hoe de nevel van de tijd
in d'ogen van zijn vrouw de vonken uit kwam doven,
haar wangen had verweerd, haar voorhoofd had doorkloven
toen wendde hij zich af en vrat zich op van spijt.
 
Hij vloekte en ging te keer en trok zich bij de baard
en mat haar met de blik, maar kon niet meer begeren,
hij zag de grootse zonde in duivelsplicht verkeren
en hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard.
 
Maar sterven deed zij niet, al zoog zijn helse mond
het merg uit haar gebeente, dat haar toch bleef dragen.
Zij dorst niet spreken meer, niet vragen of niet klagen,
en rilde waar zij stond, maar leefde en bleef gezond.
 
Hij dacht: ik sla haar dood en steek het huis in brand.
Ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wassen
en rennen door het vuur en door het water plassen
tot bij een ander lief in enig ander land.
 
Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad
staan wetten in de weg en praktische bezwaren,
en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,
en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.
 
Zo gingen jaren heen. De kindren werden groot
en zagen dat de man die zij hun vader heetten,
bewegingsloos en zwijgend bij het vuur gezeten,
een godvergeten en vervaarlijke aanblik bood.
----------------------------------------------------------------------------------------------

De moeder de vrouw

 

Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden
die elkaar vroeger schenen te vermijden,
worden weer buren. Een minuut of tien
dat ik daar lag, in 't gras, mijn thee gedronken,
mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd -
laat mij daar midden uit de oneindigheid
een stem vernemen dat mijn oren klonken.

Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer
kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.
Zij was alleen aan dek, zij stond bij 't roer,

en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.
O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.
Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.

 

Geschreven door Marinus Nijhoff
--------------------------------------------------------------------------------------------------
 

Clara Eggink, geboren in 1906 schreef dit:

 

Schaatsenrijden

Glad en wijd ligt het ijs
in een veeg wit en grijs
en de lucht, tast’bre kou,
is gestolpt onder blauw.
En mijn schaats met een kras
als een schot onder glas
trekt een veervormig spoor
van mijn voet uit te loor.
Ik scheer scheef op het vlak
langs een donkerblauw wak.
Na een sprong voor een scheur
als een koord, schiet ik voort
op het staal en ik duik
in de wind en gebruik
elke spier, die geniet
als ik suis langs het riet.

 

Dit vind ik zo passend nu er misschien wel een Elfstedentocht komt!

Groeten Marijke
--------------------------------------------------------------------------------------------------

        Herinnering

 

 

               Moeder, weet je nog hoe vroeger

               Toen ik klein was, wij tesaam

               Iedren nacht een liedje, moeder,

               Zongen voor het raam

 

               Moe gespeelt en moe gesprongen,

               Zat ik op uw schoot en dacht

               In mijn nacht-goed kleine jongen,

               Aan 't geheim der nacht.

 

               Want als wij dan gingen zingen

               't Oude, altijd-eendre lied,

               Hoe God alle, alle dingen,

               Die wij doen, beziet.

 

               Hoe zijn eeuw'ge grote wond'ren

               Steeds beschermend om ons zijn,

               —Nimmer zong je, moeder, zonder 'n

               Beven dat refrein—

 

               Dan zag ik de sterren flonk'ren

               En de maan door wolken gaan,

               d' Oude nacht met wijze, donk're

               oogen voor me staan.

 

Geschreven door Martinus Nijhof  (leefde van 1895 tot 1953)

 

 

 

 

mooie kerstspreuk Dutch Modern Quilts M en M in de regen met kinderen en schoonkinderen
Bekijk artikelen van:
ons gezin zonder Tom en Xander Maartje
Mijn Favo's
WillekeWilleke PaulinePauline KittyquiltKittyquilt ConnyConny Klazien's handwerkKlazien's handwerk ElsbethElsbeth FûgeltsjeFûgeltsje Marpies projectsMarpies projects Lappies en LarieLappies en Larie Aart's paradijsAart's paradijs GertGert JeannetJeannet Ellie's QuiltplaceEllie's Quiltplace
ouse pfotos roos Paul Himilayen Musk vingerhoedje van Josephine Hosta Blauwe regen Geranium